Cronkeley Roads in de -Italiaanse- motorpers!

Onlangs verscheen in de InMoto, een toonaangevend motorblad in Italië dit stuk over de Bologna Motorcitytour.
Ziehier de vertaling!

Rust never sleeps

Mijn vriend Hans uit Nederland belt me: “Ik heb hier zes man die wel oren hebben naar wat mooie ritten met en passant wat bezoeken aan motormusea.” Ze rijden op: een Harley Davidson WLA uit 1948, Vincent Black Shadow uit 1949, Moto Guzzi Falcone Sport van 1954, BMW R 75/6 uit 1975, Moto Morini 3 1/2 van ’78, en – iets moderner – HD Heritage Softail van 2000 en de Morini Scrambler 1200 van Hans. Die laatste is hypermodern, maar vooruit; het ‘vintage’-hart zit bij hem wel op de juiste plek als je de inhoud van zijn garage bekijkt. “Lijkt het je wat zoiets te organiseren?”
Ik weet niet helemaal zeker wat voor soort rit me te wachten staat met deze oude dames. En de bestuurders hebben zo ongeveer dezelfde leeftijd als hun voertuigen. De referenties zijn echter uitstekend. Ze hebben al vaak in Italië gereden, en meer dan één editie van Motogiro en/of Milaan-Taranto achter de rug.

Ik kijk naar de mogelijkheden voor een leuke route en ga uit van een gemiddelde van 50 km/u, en dan ongeveer 200 kilometer per dag. De weersvoorspellingen zijn niet best. Dit bezorgt me een angstbeeld als ik denk aan de oude 6-volt-installaties met stokoude verbindingen. Ook babbel ik met Hans over de bezemwagen. Die zal wel geregeld nodig zijn… denk ik. Maar Hans is vol vertrouwen en weet me te overtuigen. Begin april is de rit gepland.

Museo Ducati
Als ik de motoren later zie, valt het me al gauw op dat ze allemaal voorzien zijn van GPS, dus zijn ze kennelijk allemaal al op 12-volt omgebouwd; een zorg minder. Ook zien ze er allemaal goed verzorgd uit en zijn ze zo te zien technisch goed voor mekaar. De Falcone heeft een megafoonuitlaat en de enorme carburateur lijkt me niet origineel… We zullen zien.
Dinsdagochtend, klaar voor de start, blijkt iedereen ook te zijn voorzien van bijpassende kledij. De twee Harley-mannen hebben een echte leren broek in ‘country’-stijl. De Guzzista draagt een zwartleren motorpak, de BWM-man draagt keurige degelijke kleding en de Vincent-coureur heeft een spijkerbroek en een moderne jas. Iedereen heeft moderne helmen en laarzen of schoenen.

We gaan als eerste naar het Ducati-museum, rechttoe-rechtaan; ik wil de route niet meteen ingewikkeld maken. We parkeren ons rijtje peperdure motoren naast de begraafplaats van Borgo Panigale (op de officiële parkeerplaats mogen alleen Ducati’s staan).
In het museum hebben we een exclusieve gids, mijn vriend Francesco Rapisarda, communicatiedirecteur Ducati, met wie ik in de afgelopen veertig jaar van onze respectievelijke loopbanen op verschillende fronten samenwerkte. Hij leidt ons langs de beginperiode van Ducati met de elektrische apparaten naar de eerste ‘brommers’ tot aan de fiets van Hailwood en moderner materiaal van Bayliss en Rossi.

Na een paar welbestede uurtjes gaan we richting Bagnolo in Piano, Reggio Emilia, om de Nello Salsapariglia-collectie te bezoeken. We rijden door het platteland van Emilia richting Reggio en houden halverwege een lunchpauze. Tijdens het eten blijkt dat het tempo wel iets omhoog kan. Zo gezegd, zo gedaan. Die Guzzi die iedere keer achter me aan komt denderen, maakte me al lichtelijk nerveus.

In Bagnolo worden we verwelkomd door Nello Salsapariglia, een inmiddels 92-jarige oud-industrieel beroemd om zijn tractoren en motoren voor de landbouw. Hij is uitstekend in vorm en begeleidt ons langs zijn 150 motoren vanaf 1900 tot in de jaren tachtig. Hij weet alles perfect te omschrijven, ook de spullen in het hoekje met radio’s uit het Marconi-tijdperk, grammofoons en pianola’s, wordt niet overgeslagen. Wim, Vincent, Theo, Marc, Hans, Ben en Aernout luisteren gefascineerd naar zijn verhalen uit een rijke historie.

Bochten draaien, yes!
We rijden terug naar Bologna, zo’n 80 km. Het is wat aan de late kant om nog door de heuvels terug te rijden. Toch klaagt niemand. Zelfs de motorfietsen met koppelingen die zijn ontworpen toen er nog niet zulk druk verkeer was, doen hun werk uitstekend.
Tijdens het diner vertel ik dat we morgen vertrekken naar Mercatello sul Metauro in de Marche. Geen musea die dag, maar alleen bochten draaien. Vertrek om 8.30 uur? Beter om negen uur, luidt het antwoord. Ik vraag me af of we bijtijds zullen aankomen, maar ik heb goede hoop want Vincent (op de Vincent!) zegt me: “Na de bocht niet vertragen om op ons te wachten. We zijn vlak achter je, rij maar lekker door!”

Vandaag worden we serieus voor de leeuwen geworpen: de rit van exact 248 km van Romagna naar de Marche dwars door de Apennijnen, kent geen enkel recht stuk. En vraag me niet hoe, maar geregeld duikt de WLA vlak achter me op; een motor zonder achtervering, een koppelingspedaal, handversnelling en ook nog een handgeregelde ontsteking links op het stuur.
Als ik even de snelheid laat zakken, hoor ik achter me het gedonder van de Falcone Sport, de Guzzi, getuned met onderdelen van een Dondolino. De ‘jongens’ hebben een bochtensnelheid vergelijkbaar met die van de Moto3 en ik moet alle zeilen bijzetten om die zeventigjarige fietsen voor te blijven. Sterker nog, als men míj had gevraagd een 2000 Harley Davidson Heritage te besturen tijdens deze tocht, was ik waarschijnlijk regelrecht naar huis gereden. Aernout daarentegen is er erg ontspannen onder en rijdt vlotjes de bergen op en af. De jongens hebben duidelijk veel plezier en vragen niet om pauzes: hoe meer bochten hoe beter. Ze drinken matig en ze roken niet… Dito de motoren.

Vorkje prikken
De ontvangst in Castello della Pieve is zoals gewoonlijk hartverwarmend. De prachtig gelegen oude burcht is perfect gerestaureerd met antieke materialen – zowel van buiten als binnen – en kent een zeer ‘warme’ inrichting. Bernardo, kok en uitbater, voorziet iedereen van een heerlijke maaltijd na een dag rijden.
Donderdag doen we een ‘coast-to-coast-rit van oost naar west, om in Pieve di Santa Luce in de provincie Pisa aan te komen bij de boerderij van een andere motorvriend: Dario, die een Florentijns diner voor ons heeft geregeld nabij zijn Poggio della Pieve uit de negentiende eeuw. Het is op het platteland, maar één stap verwijderd van de zee. De lunch met tagliatelle en truffelsaus bij Monteriggioni, dat we nog even kort aandoen, was niet slecht. Ik zie mijn Nederlandse vrienden de vork draaien alsof ze al zeven generaties niets anders doen.
De Vincent laat op een zeldzaam stuk snelweg tijdens de route even zien waar deze toe in staat is. Hij geeft gas en hallo, weg is ‘ie! Destijds was hij beroemd om zijn 200 km/u, en zelfs naar moderne maatstaven zijn de cantilever-achtervering en andere vele fascinerende technische innovaties indrukwekkend. Met dank aan een memorabele stortbui laten we het Teatro del Silenzio door Bocelli in Lajatico even links liggen. Maar geen enkele motor mist een klap. Het verbaast me niet eens meer.

De volgende ochtend staat iedereen alweer te popelen om te gaan rijden. We gaan op weg naar het Piaggio Museum en ook hier hebben we onze eigen gids die ons een paar uur zoet houdt. Naast alle Vespa de Ciao’s en de Ape’s is hier een heel nieuw deel te zien met Gilera’s, Moto Guzzi’s en Aprilia’s. De 4-cilinder Gilera’s gaan even op de foto, naast een echte Guzzi V8. Wim poseert uiteraard nog even naast de Falcone en Vincent bij een Vincent die ineens opduikt in een rijtje Engelse en Duitse fietsen uit een glorieus verleden.

Diploma’s
De Porrettana bereiken zonder de snelweg te nemen is een beetje lastig, maar uiteindelijk lukt het. Via een mooie route rijden we weer terug naar de agriturismo Molino Nuovo in Castel S. Pietro. het ‘inrijden’ is duidelijk voorbij, met gemak hebben we de 275 van vandaag overbrugd, grap ik.
’s Avonds tijdens de briefing vraag ik of ze de volgende dag zin hebben om de Poggi Collectie te zien (prachtige race-motoren, niet alleen Yamaha), zodat daarna de spullen weer kunnen worden opgeladen voor de thuisreis. Ze kijken elkaar aan. En alsof ze het er al over hebben gehad, vragen ze of ze, in plaats van het bezoek, niet nog wat bochten kunnen draaien. Ik verbaas me nergens meer over, maar oké laten we het doen.

Een geweldige klassieker: Raticosa en Futa, waar we dit keer komen via wat bergkammetjes met prachtige vergezichten. Ik zie het voor me, dat als we aankomen op het plein voor de ‘Chalet Raticosa’, mijn nieuwe vrienden een staande ovatie krijgen van het aanwezige motorvolk. De 1.204 km over wegen – vaak in een beroerde staat – die ze hebben afgelegd verdienen dat zeker! Een bewonderaar van Morini vraagt ​​om een ​​selfie met Ben en zijn 3 1/2, terwijl een jonge motorrijder, strak in een vlekkeloos leren pak, zich zorgen maakt om de WLA die er veel olie lijkt uit te blazen. “Maar deze fiets heeft problemen!”, zegt hij. En ik antwoord: “Luister, deze motor stamt uit 1948 en heeft deze week meer dan duizend kilometer gereden.” De verbazing van de jongeling straalt tijdens dit korte gesprekje van zijn gezicht.
Bij Badia Moscheta gebruiken we de lunch – heerlijke verse porcini’s en een glaasje Sangiovese – en worden de ‘diploma’s’ uitgereikt die een andere goede vriend (tevens Vincent-eigenaar) heeft gemaakt. Ze zijn door hem getekend en voorzien van en bijpassende postzegel met een passend thema: klassieke motoren.
Een prima afsluiter van een mooie en verrassende week.

Ugo Passerini

3 thoughts on “Cronkeley Roads in de -Italiaanse- motorpers!

  1. Helden! Leuk geschreven en goed vertaald 🙂 Cronkeley staat voor goed gezelschap, zalig eten en mooie routes zoals in Sardinië

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *